In de wolken

"Het gebouw leek zonderling hoog. (-) Het had, met z'n ijzeren balkonnetjes, met alle kachelpijpen die eruit staken, aan de muren en aan elkaar bevestigd in een verwarring van ijzerdraden, ook iets weg van een enorm vergroot onderdeel uit een radiotoestel; of een isolator van een fantastische Amerikaanse hoogspannings- installatie." (W.F. Hermans, De tranen der acacia's)

Anno 2004 steken er geen kachelpijpen meer uit de "Wolkenkrabber" aan het Amsterdamse Victorieplein. Toen het gebouw in 1932 werd opgeleverd trouwens evenmin. Maar in de loop van de Tweede Wereld- oorlog, waarin Hermans' boek zich afspeelt, was er geen olie meer om de enorme verwarmingsketels in de kelder warm te stoken, zodat de bewoners van het prestigieuze gebouw noodgedwongen in de weer moesten met kacheltjes en geïmproviseerde kachelpijpen.

Anno 2004 is de Wolkenkrabber ook bepaald niet "zonderling hoog" meer. In talloze jaren-zestig-wijken reiken de anonieme flatgebouwen moeiteloos naar de 48 meter die de Wolkenkrabber hoog is. Wat is er, kortom, zo speciaal aan dit gebouw dat Hermans, maar ook Wolkers en Vestdijk, er in hun werk naar verwijzen? Het zit 'm natuurlijk voor een deel in de locatie, De Wolkenkrabber vormde de bekroning van het befaamde Plan Zuid van bouwmeester Hendrik Petrus Berlage, wiens in graniet gehouwen gelijkenis (van beeldhouwer Hildo Krop) dan ook pontificaal voor het gebouw is geplaatst. De merendeels zeker voor die tijd nogal ruime appartementen in Plan Zuid waren behoorlijk aan de prijs. Ze trokken een welvarend publiek, waaronder veel joden, zoals het gezin Frank, dat eind 1933 introk in een van de zijvleugels van het complex. Ook veel lieden uit de wetenschap en de kunsten streken in Plan Zuid neer. Na de oorlog woonde Hermans zelf enige tijd in de Wolkenkrabber. Maar het meest bijzondere aan de Wolkenkrabber is dat het de eerste echte woontoren van Nederland betrof. Let wel: woontoren, niet: flat. Want een flat is: zoveel mogelijk woonhokken voor zo weinig mogelijk geld. Een woontoren daarentegen staat voor weidse vergezichten en ruimte. Voor comfort en status. En bovenal: voor goede architectonische smaak.

[...]

Op het eerste gezicht is geen vergelijking mogelijk tussen een woontoren anno 1932 en eentje van nu. Maar los van de dimensies zijn er wel degelijk treffende overeenkomsten - in architectuur maar vooral ook in "woongevoel". Neem de opgang. De Wolkenkrabber imponeert de bezoeker met een gedistingeerde marmeren hal met een in koper uitgevoerd portret van uitvoerend bouwmeester Jur. Reyn - vreemd genoeg niet van architect J.F. Staal. De trap aan de voorkant van het gebouw is een treffend voorbeeld van "Het Nieuwe Bouwen", de architectuurstroming die zich afzette tegen de tierlantijnen van de Amsterdamse School. Het trappenhuis bevindt zich in een ronde glazen façade die de voorgevel van het gebouw domineert. Wie liever de lift neemt, heeft de beschikking over twee liften (voor maar 22 appartementen). Elke verdieping beschikt over een intiem halletje, waar beide liften op uit komen. Elk halletje geeft toegang tot twee appartementen.

En dan de appartementen zelf. In de Wolkenkrabber beslaat een appartement de helft van het oppervlak van een verdieping. Wie links woont (vanaf het Victorieplein gezien) ziet uit over het groene gebied rond de Amstel, vanaf de rechterkant openbaart zich het centrum van Amsterdam. De hoogste verdiepingen bieden onbekommerd uitzicht over het IJ en, op heldere dagen, Amsterdam Noord en het IJsselmeer. De appartementen beslaan 137 vierkante meter. In 1932 gigantisch, maar ook nu voor Amsterdamse begrippen nog altijd bepaald niet kinderachtig. De woonkamers kijken uit op het oosten: op de voormalige Amstellaan, sinds 1945 Stalinlaan, sinds 1956 Vrijheidslaan, uitmondend op de Berlagebrug over de Amstel, het enige bouwwerk dat Berlage zelf tekende in deze buurt. Aan de achterkant kijkt de keuken, een klein kamertje en een royaal bemeten echtelijke slaapkamer uit over de strakke geometrie van Plan Zuid.

Vier slaapkamers telt een appartement, twee ervan zijn verbonden door een badkamer die in 1932 behoorlijk luxe moet zijn geweest: badkuip en centrale verwarming.

Ed Croonenberg, HP/De Tijd, 21 mei 2004